|
|
Het Vlaams parlement moet de motor zijn van het streven naar Vlaamse
onafhankelijkheid.
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
 |
| Column | Wie is Wim | Vlaams parlement | Gemeenteraad | Activiteiten |

Begrotingsdebat - luik ’Inburgering’
Tussenkomst dd. 16.12.2008 - Bij de begrotingsbesprekingen nam ik het woord over het inburgeringsbeleid. Minister Keulen onderbrak mij een paar keer, maar overtuigde niet.
Mevrouw de voorzitter, laat mij toe even kort tussen te komen over het inburgeringsbeleid. Dit beleid staat nu ongeveer vijf jaar op de sporen en begint stilaan concreet vorm te krijgen. Tijdens deze legislatuur is aan dat beleid nog ingrijpend gesleuteld, en dat in goede zin, met onder meer de uitbreiding van de doelgroepen en het verplicht maken van de inburgeringscursussen voor omvangrijke groepen allochtonen. Bovendien werden normen en waarden bij de inburgering betrokken. Deze aanpassingen genoten onze steun, dat hebben we van meet af aan gezegd. Maar om nu te spreken van een ommezwaai in vergelijking met het vroegere zeer gebrekkige integratiebeleid, dat zou toch de waarheid geweld aandoen. Daarvoor had de hervorming doortastender en veel resultaatgerichter moeten zijn.
Onze fractie heeft zich in dat kader steeds voorstander getoond van een echt inburgeringsexamen, van een daaraan verbonden loyaliteitsverklaring en van de koppeling tussen een geslaagd inburgeringsparcours aan de toekenning van de nationaliteit. Van dat alles is thans niets te bespeuren, in tegenstelling tot de ontwikkelingen in verschillende Europese landen.
Mijnheer de minister, u weet dat ik steeds weer hamer op de maatschappelijke impact van het gevoerde inburgeringsbeleid. Met andere woorden: verandert het beleid iets wezenlijks op het terrein? Men kan inderdaad wel zwaaien met het jaar na jaar toenemende aantal uitgereikte attesten. Ik zal daar niet minnetjes over doen, maar verandert dat iets aan de eveneens toenemende vervreemding in onze steden? Die attesten zeggen eigenlijk niet zoveel, al pakt de minister er graag mee uit op festiviteiten als de Dag van de Inburgeraar. Een dergelijk attest is toch enkel maar een bewijs dat men het lesaanbod regelmatig heeft bijgewoond. Over de mate van aanpassing zegt het papiertje niets. Bovendien zorgt de federale regering ervoor dat de poorten wijd open blijven staan voor grote groepen nieuwkomers die jaarlijks op tal van manieren het land binnenkomen. De Vlaamse Regering is hiervoor inderdaad, spijtig genoeg, niet bevoegd, maar zij vertikt het evengoed haar stem te verheffen, hoewel het federale wanbeleid onze bescheiden inburgeringsinspanningen tenietdoet.
Intussen blijft in onze samenleving de segregatie toenemen. Grote groepen Noord-Afrikaanse en Turkse immigranten hebben zich afgescheiden van onze samenleving en werken elke vorm van integratie actief tegen.
Mijnheer de minister, u geeft zelf altijd het voorbeeld van de Gentse Sleepstraat om zulke gettovorming te illustreren. Hoe zult u dit fenomeen tegengaan, als we al moeten vaststellen dat zelfs jongeren die hier school hebben gelopen in toenemende mate terugplooien op de eigen gemeenschap?
Minister Marino Keulen:
Ja, hoe kan je dat tegengaan? Dat kan je alleen maar aanpakken door verder te gaan met inburgering. De realiteit vandaag is er een van globalisering, van migratiestromen, die zich niet alleen in Vlaanderen ontwikkelen, maar ook in Nederland, Frankrijk, de Verenigde Staten, Australië.
Wat we op een aantal jaren hebben gedaan, is eigenlijk een half mirakel. Dat kon door de brede politieke steun voor inburgering, maar ook door de inburgeraars, die zelf de beste pleitbezorgers zijn geworden. Ze begrijpen dat dit voor hen kansen zijn. Ze geven massaal gevolg aan de verplichting om Nederlands te volgen, om opleidingen bij de VDAB te volgen, om de spelregels van onze samenleving te leren in de lessen maatschappelijke oriëntatie.
Ik vind het dwaas om de mensen een rad voor de ogen te draaien en hun voor te houden dat de monocultuur ooit nog terugkomt. Die komt nooit meer terug. Vlaanderen is gekleurd en zal verder verkleuren. Heel wat van die nieuwe Vlamingen - 27.000 per jaar - vervullen in veel economische sectoren een onmisbare rol. Haal hen weg uit de verzorgingssector, uit een aantal productiesectoren, uit de poetssector, en heel wat bedrijven kunnen de deuren sluiten bij gebrek aan arbeidskrachten. Die mensen zullen ook doorstromen naar andere sectoren, naar vrije beroepen, naar directiefuncties in ondernemingen en instellingen. Vandaag zijn ze zelfs onmisbaar, als je het welvaartspeil op het huidige hoge peil wilt houden.
Het beeld ophangen van gesloten grenzen, mensen buitenhouden en uitsluiten, is vanuit louter economisch perspectief - ik spreek nog niet vanuit humaan perspectief - jezelf in de vingers snijden.
De heer Wim Van Dijck:
Mijnheer de minister, u had het in uw antwoord op een vrije tribune van iemand van Kif Kif over een retorische truc, maar u gebruikt net dezelfde truc. U hangt van mij een bepaald beeld op en u luistert niet naar wat ik zeg. U weet dat wij u een eindweegs volgen, maar wij willen verder gaan en doortastender zijn omdat wij vinden dat de realiteit op het terrein erger is dan u het voorstelt.
Ik heb het bijvoorbeeld over segregatie en over jongeren - niet over ouderen - die zich in toenemende mate terugplooien op hun eigen gemeenschap en op verouderde culturele en religieuze normen. Het huidige inburgeringsbeleid remedieert dit te weinig.
Is het met het huidige inburgeringsbeleid dat u zult verhinderen dat, bij wijze van voorbeeld, nog altijd grote groepen jongeren huwen met iemand uit het herkomstland, als ze al niet worden uitgehuwelijkt? Degelijke symptomen van manifeste niet-inburgering zijn legio.
Een van de oorzaken daarvan is de ideologische achtergrond van elk beleid ten aanzien van allochtonen dat tot nu toe is gevoerd en dat doordrongen is van cultuurrelativisme, en zelfs - zeker in de zogenaamde diversiteitssector - van culturele zelfverloochening. Men is als de dood om onze cultuur als normerend voor de nieuwkomers aan te prijzen. Ik heb even gedacht dat u de goede weg op ging door een normen- en waardendebat op gang te trekken. Maar het rapport van de zogenaamde Commissie van Wijzen vond ik persoonlijk wat teleurstellend en ik stel mij grote vragen omtrent de uiteindelijke hantering van het handboek Maatschappelijke Oriëntatie, dat er het uitvloeisel van was. In Metro verklaarde vorige week nog iemand uit de sector dat het vooral niet de bedoeling kon zijn dat wij onze waarden en normen aan allochtonen zouden ’opdringen’, maar dat de oplijsting van normen en waarden enkel voer was voor discussie in de lessen.
Mijnheer de minister, dat ook u soms in hetzelfde relativistische bedje ziek bent, toont uw houding ten aanzien van de islam in Vlaanderen. Door de erkenning van moskeeën stampt u een heuse islamitische zuil uit de grond, zonder dat daar spijkerharde garanties tegenover staan dat die islam zich inschrijft in onze Europese cultuur, zo dat al mogelijk zou zijn.
Ik heb een aantal kennissen van Turkse afkomst die hard hun best hebben gedaan om zich aan te passen: ze zijn goeddeels geseculariseerd, en hebben hun kinderen met succes opgevoed met het oog op hun volledige integratie in onze maatschappij. Zij deden dat ondanks de grote sociale druk die hen vanuit hun gemeenschap te beurt viel, en nog valt.
Wel, zij begrijpen niet dat de overheid moskeeën en imams steunt die net het omgekeerde bepleiten, die huwelijken met partners van het herkomstland aanraden en de verwestersing van de jongeren actief tegengaan.
Minister Marino Keulen:
We gaan dat net tegen. U steekt het hoofd in het zand. Dat is eigenlijk een struisvogelpolitiek: doen alsof iets dat vandaag reëel aanwezig is op het terrein, niet bestaat. Wij proberen door de erkenning van de moskeeën de betrekkingen te normaliseren en we koppelen de financiële erkenning aan een duidelijk en strak voorwaardenkader. Ik geloof daar veel meer in dan door te doen alsof de realiteit niet bestaat en uzelf een rad voor de ogen te draaien.
De heer Wim Van Dijck:
Nee, u draait zich een rad voor de ogen, want u erkent moskeeën waar het helemaal nog niet op orde is en die nog steeds niet aan de voorwaarden voldoen. Ze worden ook te weinig gecontroleerd. U zou dat toch eens moeten nakijken.
Het beleid zou veel meer partij moeten trekken voor mensen die uit hun culturele cocon breken: voor de meisjes en jongens die zich vrijvechten, de geseculariseerden, de verwesterden, de geassimileerden. Partij trekken dus tegen de sociale druk van de gesloten immigrantengemeenschappen, tegen de voortschrijdende segregatie. Maar dan moet men er natuurlijk vanuit gaan dat onze cultuur, onze waarden en normen voorgaan op die van de immigranten, dat onze cultuur de leidende cultuur is waaraan allochtonen zich dienen aan te passen. Zolang dat niet het natuurlijke uitgangspunt is van het inburgeringsbeleid, zal het gedoemd zijn te mislukken.
Wim Van Dijck
Vlaams parlementslid
|
|
|